TODAY                                                                  


Sainte Victoire analyseert het abstracte denken

Door Wim van der Beek, De Stentor, 27-4-2006

Natuurlijk gaat de cyclus ‘Sainte Victoire’ die onder verantwoordelijkheid van gastcurator Jasper van der Graaf dit jaar in vier delen in Safe Dalfsen te zien is, in de eerste plaats over het denken naar abstractie. Daarover is geen twijfel mogelijk. Maar wie het tweede deel van de tentoonstellingscyclus bekijkt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het hier ook gaat over het denken in mogelijkheden om beweging te suggereren. De logische vraag die daaruit voortvloeit is: In hoeverre is ‘beweging’ eigenlijk een abstract gegeven?
De tentoonstellingstitel verwijst naar de berg Mont Sainte Victoire die veelvuldig geschilderd is door Cézanne, één van de grondleggers van de abstracte kunst. De serie schilderijen van Cézanne laat treffend en op analytische wijze zien hoe de wereld die verscholen ligt achter de concrete waarneming uit elkaar geplozen kan worden. Cézanne deed dat onder meer via de omweg van het deconstructieve denken en werken. Feitelijk is dat ook wat Jasper van der Graaf doet. De twee wandschilderingen die hij op locatie maakte in de projectruimte van kunstenaarsinitiatief Safe gaan over de fundamentele processen van vormgeving en over de formele aspecten die direct en indirect samenhangen met de geometrische denk- en werkwijze.
In het specifieke geval van Jasper van der Graaf zijn echter uiteindelijk dynamische vormpatronen ontstaan die óók gaan over de merkwaardige frictie tussen stilstand en beweging. In de complexe vormenstelsels die hij construeert, spelen bewegingsdimensies een belangrijke rol. Door de veelheid van vormen en vervormingen gaan de geometrische basisgegevens in hoog tempo interacties met elkaar aan. Ze klonteren samen of vallen uit elkaar. Ze groeperen zich of wekken de indruk dat het gaat om uitstulpingen en aanhangsels. De grillige verschijningsvormen leveren een veelvormige en veelzijdige constellatie van vormen op die zich overigens zeer nadrukkelijk binnen het platte vlak manifesteren. De scheidslijn tussen het vlak enerzijds en de ruimtelijk werking en perspectivische effecten anderzijds wordt zorgvuldig bewaakt.
Ook het werk van Thomas Wildner gaat feitelijk over elementaire organisatie en complexiteit van vormenstelsels. Met zijn mede-exposant deelt Wildner de voorkeur voor eenvoudige uitgangspunten en zijn fascinatie voor de factor toeval. Hoewel hij zijn bevindingen in tegenstelling tot Van der Graaf nadrukkelijk uitwerkt in driedimensionale componenten, zijn er duidelijke overeenkomsten te signaleren in de mate van grilligheid.
Wie dat wil, kan in het werk van Wildner abstracte rupsen, slakken of spinnen herkennen die de wanden van de tentoonstellingsruimte beklimmen en zich aan hun eigen gewicht tegen de muur omhoog lijken te trekken. Wildner werkt in clusters van autonome vormen die door de kleur bij elkaar worden gehouden. Hij combineert groepen wandreliëfs tot een geheel waarin dynamiek en ordening elkaar in evenwicht houden.
Elk beeldelement afzonderlijk bestaat uit een aantal bewegingen die door de kunstenaar genummerd zijn. Elke beweging staat in feite voor een concrete ingreep in het verloop van de vorm. De doorgaande lijn wordt onderbroken door verandering van het snijvlak. Daardoor buigt de vorm naar onderen, naar boven, naar voren of naar achteren. Dat leidt tot een zekere mate van onvoorspelbaarheid die haaks staat op de wetmatigheid van de toegepaste vertrekpunten, definities en formules. ‘Trebesice genome’ ziet eruit als een tweedelige oranjezwarte spin en ‘Certain improbability’ is een grillige kluwen van vormbuigingen die er ondanks de toegepaste wetmatigheden bijna amorf uitziet.